Kunstroof door de nazi's
De nazi's hebben tijdens WOII in Europa meer dan anderhaf miljoen kunstwerken geroofd. Er werd
veel per trein naar Duitsland gestuurd of officieren namen schilderijen en andere kunstvoorwerpen

van waarde mee als ze met verlof terug naar Duitsland gingen.
Minstens 100.000 topstukken zijn nog zoek en zullen waarschijnlijk ook nooit meer boven water
komen.
Het verkijgen van kunst was natuurlijk ook eenvoudig. Mensen die op transport werden gezet kwamen
nooit meer terug dus werden hun huizen leeggehaald door of in opdracht van de Duitsers. Alles wat
ook maar enigszins waarde had werd opgeslagen om later mee te nemen naar Duitsland.
Na de oorlog is er veel verkocht. Maar ook hangt er ongetwijfeld nog veel aan de muur bij de nazaten
van Duitse officieren uit de Tweede Wereldoorlog.
Onvrijwillige verkoop
Er zijn ook veel stukken verkocht voor veel te lage prijzen. Hier werkten Amsterdamse kunsthandelaren
aan mee. Zij kochten de stukken op en verkochten die door aan Duitse officieren die onder andere van
Hitler en Göring de opdracht hadden gekregen kunst aan te kopen.
Ook deze 'gedwongen' verkopen vallen veelal onder de noemer 'geroofde kunst' omdat de verkoper geen
keus had dan te verkopen tegen een waarde die ver beneden de werkelijke waarde lag.
De Amsterdamse kunsthandel Rosenberg was berucht, zij kochten tegen lage prijzen kunst op die ze voor
een hogere, maar nog altijd te lage, prijs doorverkochten aan de Duitsers.
Firma Katz
Ook de Joodse firma Katz verdiende flink aan de kunsthandel, de broers wisten zelf in 1943 veilig
weg te komen naar Spanje en Zwitserland. Na de oorlog stelden zij dat ze veel kunst achter hadden
moeten laten dat door de Duitsers vervolgens geroofd zou zijn. Wat bleek is dat ze de stukken
verkocht hadden en doordat ze zelf in het veilige buitenland verbleven zou de overeenkomst vrijwillig
tot stand zijn gekomen. Veel van de kunstwerken werden teruggevonden en veelal terugbezorgd bij de
firma Katz, soms tegen betaling van een kleine vergoeding.
Kunsthandel Katz werd sinds 1930 gedreven door de gebroeders Nathan en Benjamin Katz, zij stonden binnen de
Joodse gemeenschap goed bekend. De broers konden tijdens de oorlog dus buiten schot blijven,
en na de oorlog ging de handel verder, zoon David nam gaandeweg de jaren de zaak over.
Dat de firma Katz zelf lagere prijzen had betaald aan de Amsterdamse Joden deed niet ter zake omdat
de firma reeds voor de oorlog veel zaken deed met de Joodse gemeenschap.
Maar er is nog iets pikants aan de firma Katz. Een van de broers (Nathan) verbleef sinds 1941 in
Zwitserland, daar leerde hij A. de Vries kennen en hielp hem. Na de oorlog werd deze heer De Vries
directeur van de instantie (Stichting Nederlands Kunstbezit) die moest beslissen of een aantal
schilderijen terug moest worden gegeven aan de familie Katz, hij vond van wel.
Als dank kreeg kon de Vries een zelfportret van Rembrandt voor het Mauritshuis aankopen. Tegen een zeer
schappelijk bedrag.
De procedure om te bepalen of een claim terecht is, is nadien aangepast.
Noot: formeel is er dus niets in te brengen tegen de handelswijze van de broers Katz tijdens, en hun
familieleden na, de Tweede Wereldoorlog. Op het oog kochten ze zeer goedkoop kunst in, verkochten dat
uit vrije wil aan de Duitsers voor hogere prijzen en claimden na de oorlog de stukken terug om ze
vervolgens voor een hogere prijs opnieuw te verkopen.
Zuid-Amerika, een schatkamer
Dat de Zuid-Amerikaanse dictators er weinig moeite mee hadden om de na de oorlog gevluchte nazi's
onderdak te bieden is bekend. Maar waar betaalden die officieren hun overtocht van en hoe voorzagen
zij in hun levensonderhoud?
Veel kunstwerken werden meegenomen naar Zuid-Amerika en verkocht. Ook de Noord-Amerikanen lieten zich
niet onbetuigd want veel van de geroofde kunst verdween naar het kapitaalkrachtige noorden, de
Verenigde Staten.
Teruggave
Het is uiterst lastig om de honderdduizende geroofde kunstwerken terug te vinden. Zelfs als iets in een
museum terecht is gekomen blijkt het niet altijd mogelijk het kunstwerk terug te brengen naar de
rechthebbenden.
De eigenaren zijn vaak al lang niet meer in leven omdat ze de straf-, werk of vernietigingskampen
niet hebben overleefd. Maar ook weten de kinderen en kleinkinderen vaak niet wat er in huis stond. Toch
worden er pogingen in het werk gesteld om kunstvoorwerpen terug te bezorgen.
Er worden databases aangelegd van kunstvoorwerpen die zich in musea en bij mensen thuis bevinden. Maar
er zijn ook depots gevonden waar tienduizenden stukken opgeslagen liggen waarvan met niet weet van
wie ze zijn.
Iedereen die meent recht te hebben op kunstvoorwerpen die van hen of hun voorouders tijdens de Tweede
Wereldoorlog zijn gestolen kunnen deze databases raadplegen. Enkelen zijn ontsloten en daardoor via
het Internet te raadplegen. Zo is er een database met daarin 20.000 kunstvoorwerpen waarvan men alleen
met zekerheid kan zeggen dat ze uit bezet Frankrijk (voornamelijk) en België zijn gestolen.
Je kunt zoeken op de objecten maar soms weet men ook van wie de stukken zijn gestolen, uit welk huis
ze kwamen, maar zijn de erfgenamen nooit achterhaald.
Zo is er bijvoorbeeld bekend dat er van de familie Frenkel-Reder uit Brussel in Koblenz twee aquarellen
opgeslagen liggen:
DATABASE.
Onder de kunstvoorwerpen bevinden zich schilderijen van Rembrandt en Van Gogh en Picasso.
Musea
Veel van de kunstvoorwerpen werden door gevluchtte nazi's verkocht om te kunnen overleven, vaak hadden
ze geen bronnen van inkomsten. Zo gebeurde het dat via kunsthandelaren de aanvankelijk tijdens de oorlog

geroofde kunst in musea kwam te hangen die in de meeste gevallen de echte herkomst niet
wisten.
171 Amerikaanse musea hebben daarom grote delen van hun collectie, waarvan ze het vermoeden hebben dat ze
van roof afkomstig zijn, op het internet gezet om de werkelijke eigenaren op te sporen. Het gaat
om 'slechts' een kleine 30.000 voorwerpen.
Restitutiecommissie
In Nederland is er enkele jaren geleden (2002) ook een goed initiatief opgestart om te kunnen
oordelen over claims van nabestaanden op tijdens de oorlog van hun voorouders verdwenen kunstwerken.
De Restitutiecommissie beoordeelt individuele verzoeken en bestaat uit juristen en kunsthistorici die
aan de regering advies uitbrengen.
Aanleiding was de Gutmann collectie. Deze bevindt zich in de zogenaamde NK-collectie, de Nederlandse
Kunstbezit-collectie.
Deze omvat zo'n 4000 door de Nederlandse Staat beheerde kunstobjecten (schilderijen, tekeningen,
prenten, keramiek, zilver, meubels, tapijten en andere bijzondere voorwerpen) en bevinden zich in
verschillende Nederlandse musea, op ambassades en in overheidsgebouwen.
Gutmann collectie
Gutmann was een Duitse bankier die na de Eerste Wereldoorlog kunst ging verzamelen. Hij werd tot
Nederlander genaturaliseerd. Een deel van zijn collectie werd geroofd in Parijs, een ander deel
verkocht hij via een Nederlandse galerie en later een Duitse kunsthandelaar aan de Duitsers.
Het echtpaar overleefde uiteindelijk de oorlog niet, zij werden in een vernietigingskamp vermoord door
de nazi's.
Op 25 maart 2003 oordeelde de Restitutiecommissie dat aan de erven F.B.E. Gutmann alle in het
bezit van de Nederlandse Staat bevindende stukken teruggegeven dienen te worden.
Over de NK-collectie lees je meer
HIER.
Over de Restitutiecommissie
HIER.
Goudstikker collectie
Waar veel over te doen is geweest en wat u zich wellicht ook nog wel kunt herinneren is de 'affaire
Goudstikker'. Deze zaak ging over een aantal schilderijen die na de oorlog door de staat werden

toegeêigend omdat de eigenaar van Joodse afkomst in 1940 was overleden.
Met zijn echtgenote werd na de Tweede Wereldoorlog een schikking getroffen. Latere erfgenamen vonden
dat er sprake was geweest van ongeoorloofde druk op de weduwe en dat er al helemaal geen sprake was
geweest van een rechtmatige daad. Het juridische steekspel dat volgde werd door de familie verloren die
zich echter niet neer wilde leggen bij deze beslissing.
Jacques Goudstikker was een Joodse kunsthandelaar in Amsterdam die na het uitbreken van de
oorlog probeerde te vluchten maar daarbij verdronk. De Duitsers namen zijn winkel over, honderden
stukken nam Göring in bezit.
Slechts 267 stukken (waaronder van Van Ostade, Jan Steen en Ruysdael) kwamen na de oorlog terug
naar Nederland waarvan de Staat zich eigenaar waande omdat Goudstikker was overleden.
Marei von Saher, schoondochter van Jacques Goudstikker en wonende in de VS, meldde zich en keeeg
uiteindelijk 227 stukken terug die zij vervolgens voor een groot deel met dezelfde snelheid verkocht
om onder andere adviseurs en de door haar ingehuurde topadvocaten te kunnen betalen.
Het staat vast dat tijdens de Tweede Wereldoorlog veel mensen hun kunstwerken kwijtraakten, dat
betrof vaak schilderijen van bekende kunstenaars die in handen kwamen van de nazi’s door
inbeslagname of gedwongen verkoop.
Na de oorlog zijn veel van deze kunstwerken meerdere malen doorverkocht waardoor het teruggeven van
de stukken aan de erfgenamen zeer complex is geworden. Een deel is ook in bezit gekomen van
de Nederlandse Staat die in 2001 besloot dat een terzake doende onafhankelijke commissie zich moest
gaan buigen over aanspraken van erfgenamen.
De Restitutiecommissie laat zich naast haar eigen expertise bijstaan door adviseurs. Tot maart 2011
werden er 97 adviezen uitgebracht in 123 zaken.
Polen starten website met roofkunst
Op 15 maart 2011 maakte het Poolse ministerie van cultuur bekend dat men een overzicht heeft gemaakt
van tijdens de oorlog geroofde kunst.De informatie is vertaald naar het Engels en online gezet. Het
zou in totaliteit gaan om zo'n zestig duizend werken.
Het gaat dus om werken die vermist worden. Polen werd door de Duitsers overrompeld en gebruikt als
de asbak van Europa. Aan Poolse zijde vielen de meeste slachtoffers.
Het zal voor de Poolse regering niet eenvoudig worden veel kunstwerken terug te halen omdat wat geroofd
is door de Russen via het oostfront nu geen Pools grondgebied meer is. Toch zijn er al succesjes geboekt
want uit Zwitserland en de Verenigde Staten kwamen er al werken van bekende meesters terug.
Onder de verdwenen kunstwerken bevindt zich veel werk van Rembrandt, voornamelijk etsen.
Verkoopovereenkomst? Jammer dan!
Sejant detail is dat er dus ook Joodse handelaren betrokken waren bij de kunstroof, maar dan wel op een heel
subtiele wijze. Joden verkochten tegen absurd lage prijzen hun kunst aan Joodse kunsthandelaren, die
vertrouwden ze. Vervolgens tekenden ze een verkoopovereenkomst en werden de stukken voor hogere prijzen
doorverkocht. Deze manier van verkoop wordt vaak, maar niet altijd, gezien als gedwongen verkoop.
Zeker als er Joodse handelaren bij betrokken waren kon de 'koop' niet ongedaan worden gemaakt omdat er
officiële papieren waren.
'Geroofde kunst' opgedoken in Amsterdam Museum
In oktober 2011 besteedde KRO's Brandpunt aandacht aan Joodse kunst die in het bezit was gekomen van
musea. Een van die stukken zou hangen in het Amsterdam Museum en daardoor bestempeld kunnen worden als

'foute kunst'.
In dit geval gaat het om een doek dat geschilderd is door Cornelis van der Voort en de moeder van
P.C. Hooft moet voorstellen: Anna Jacobsdochter Blaeu. Het schilderij is ooit aangekocht door Paul May
die Joods was en bankier. Op 10 mei 1940 pleegden hij en zijn vrouw zelfmoord omdat na vijf dagen
het verzet van Nederland tegen de Duitsers was gebroken.
De kunstcollectie van de familie May werd door de Duitsers uit hun huis gehaald en verkocht.
In 1965 werd het schilderij na vele omzwervingen te koop aangeboden op een veiling in Duitsland waar
het door het Amsterdam Museum werd aangekocht. Uiteraard was toen niet bekend wat de herkomst van het
schilderij was.
Inmiddels (november 2011) is er bepaald dat het Rijksmuseum de kunst niet terug hoeft te geven.